Marjan Berk speelde onder andere in het cabaret van Wim Kan en in Lurelei. Zij schreef de bekende tv-serie Vrouwenvleugel en een groot aantal boeken, waaronder de bestseller Nooit meer slank. Columniste was ze bij het AD, Utrechts Nieuwsblad, Provinciale Zeeuwse Courant, de Gaykrant en Margriet, momenteel nog bij Mokum Magazine. Onlangs verscheen haar nieuwe boek Hofdames, over haar medebewoonsters in het Amsterdamse Occohofje, een woonplek voor alleenstaande oudere dames.
Opluchting na de scheiding
Ze was pas vijf toen haar ouders in 1937 gingen scheiden. Toch heeft ze er een duidelijke herinnering aan overgehouden: een enorm gevoel van opluchting. “Er waren thuis hevige ruzies tussen mijn ouders. Mijn vader was een moeilijke man. Bovendien niet altijd trouw. Na de scheiding bleven de kinderen bij m’n moeder. Er was bepaald dat we regelmatig bij m’n vader op bezoek moesten en dat was geen feest, voor hem niet en voor mij niet. Ik was namelijk erg solidair met m’n moeder en die was nog altijd boos op hem. Dus zat ik ook als een boos kind bij hem. Mijn broertje werd enorm verwend door hem en kreeg altijd de leukste cadeautjes. ‘Zeg maar tegen Marjan dat ze, als ze net zo lief is als jij, dat zij dan ook cadeautjes krijgt’, zei m’n vader.”
“Ik herinner me ook nog het eeuwige gedoe over de alimentatie, 125 gulden per maand, die per postwissel binnenkwam. Altijd weer spanning wanneer die kwam en of-ie kwam. Mijn moeder, mijn broertje en ik waren in Amersfoort gaan wonen, waar zij kamers verhuurde op basis van kost en inwoning, dus ze kookte ook voor die mensen. Dat deed ze zo goed en lekker, dat er van dat kostgeld maar weinig overbleef, volgens mij.”
Dé man in mijn leven
“Vlak na de oorlog werd mijn moeder ziek. Ze bleek borstkanker te hebben. Haar ouders waren in die tijd net verhuisd naar Zuid-Afrika voor het werk van mijn opa. Mijn moeder en ik stonden er dus alleen voor. Er moest een borst geamputeerd worden. De ziekte leek toen weg, maar een jaar later werd er botkanker geconstateerd. Dat is een van de meest pijnlijke vormen van kanker, het was een vreselijke lijdensweg. Ze stierf uiteindelijk in 1951. Haar ouders zaten toen nog steeds in Afrika.”
“Ach, opa, wat heb ik die man gemist. Hij was echt dé man in mijn leven, vind ik nu nog steeds. Hij zag me écht, ik was dol op hem. Ik mocht altijd op zijn typemachine tikken en dan zei ik: ‘Ik tik.’ Dan zei hij: ‘Jij schrijft.’ Toen mijn moeder overleed was ze 46 en ik 18. Ik ging de verpleging in om het voogdijschap van mijn vader te ontlopen. Ik was immers nog minderjarig. Na haar dood kwam mijn vader me halen. Hij wilde me in huis halen, als een soort gratis werkster, denk ik. Daar heeft de ziekenhuisdirecteur, godzijdank, een stokje voor gestoken door te zeggen dat mijn moeder per se wilde dat ik in de verpleging zou blijven. Dus ben ik tot m’n 21ste, dat was toen de meerderjarigheidsleeftijd, intern in het ziekenhuis gebleven. Heb ik nog mijn diploma A gehaald, als psychiatrisch verpleegkundige.”
“Na de dood van mijn moeder had ik ‘summier’ contact met mijn vader. Hij was hertrouwd met een heel aardige vrouw, met wie hij nog twee dochters kreeg en met wie ik nog steeds goed contact heb. Op zijn sterfbed zei hij: ‘Ik had je jonge vadertje moeten zijn.’ Een beetje laat, dacht ik toen. Ik had zelf inmiddels al twee kinderen, voor wie hij overigens een aardige opa was.”
Rijk in cultuur
“Ik heb eigenlijk nooit iets van dat huwelijk van mijn ouders begrepen. Mijn moeder was een zeer ontwikkelde vrouw. Ze had de meisjes-hbs gedaan, speelde mooi piano, zong goed. We waren zeker geen rijke familie, maar wel rijk in cultuur. Er werd veel gelezen, er kwamen kunstenaars over de vloer en er waren huisconcerten. Als kind werd je er heel vanzelfsprekend opgevoed in lezen, muziek maken en de omgang met allerlei kunstzinnige mensen. Mijn vader was een slimme zakenman, compagnon bij een bekende sportwinkel in Den Haag. Uit die zaak stuurde hij me een keer een dirndljurk, met het prijskaartje er nog aan. Zoiets doe je toch niet? Daar was mijn moeder dan weer woest over. Maar hij was heel charmant en ik denk dat hij m’n moeder daarmee ooit veroverd heeft op een gekostumeerd bal, waar hij als indiaan en zij als de zon verkleed was.”
“Maar hoe boos mijn moeder ook op hem was – en bleef – ze bleef toch altijd keurig. Ze stookte mij ook niet op als ik naar hem toe ging. Dat heeft ze mij ook geleerd: ‘Wij blijven altijd chic. Je laat je niet verkreukelen door wat er met je gebeurt.’”
“Aan mijn moeder zou ik nog heel graag de vraag willen stellen: ‘Waarom ben je in godsnaam met die man getrouwd?’ Mijn vader wil ik niets meer vragen, want dan zou het toch allemaal in de verwijtende sfeer zijn en dat wil ik niet. Ik ben een goedlachs type, net als mijn moeder. Nooit chagrijnig, geen zeikerd, altijd opgewekt. Bovendien: we zijn en blijven altijd chic.”