
Martin Scorsese staat bekend als een regisseur die zichzelf voortdurend opnieuw wil uitvinden en zelden veilig speelt. Juist die drang om te vernieuwen pakte begin jaren tachtig bijna rampzalig uit en bracht zijn succesvolle carrière onverwacht aan het wankelen.
In de jaren daarvoor leverde Scorsese klassiekers af als Taxi Driver, Raging Bull en Mean Streets, vaak met Robert De Niro in de hoofdrol. De verwachtingen waren torenhoog, waardoor de druk om opnieuw te vernieuwen én te scoren enorm was.
Andere toon
Met The King of Comedy koos Scorsese bewust voor een pikzwarte satire over obsessie en roem, met De Niro en Jerry Lewis als opvallende hoofdrolspelers. Artistiek was hij overtuigd, maar het publiek bleek er nog niet klaar voor.
De film kostte naar schatting 19 miljoen dollar, maar bracht wereldwijd slechts zo’n 2,5 miljoen op. Critici reageerden lauw en bioscoopbezoekers bleven massaal weg, waardoor de film al snel werd bestempeld als een pijnlijke commerciële mislukking.
Moeilijke fase
Scorsese gaf later toe dat niemand in Hollywood nog met hem wilde werken na deze flop. Zijn ambitieuze project The Last Temptation of Christ viel tijdelijk in duigen en hij vreesde zelfs dat hij naar de marge van de filmwereld zou verdwijnen.
Een voorzichtig herstel kwam met After Hours, maar pas met The Color of Money, met Paul Newman en Tom Cruise, keerde het vertrouwen terug. De film werd een succes en leverde Newman zelfs een Oscar op.
Toch positief
Terugkijkend noemt Scorsese The King of Comedy “de juiste film op het verkeerde moment”. Inmiddels wordt het werk gezien als een invloedrijke klassieker, maar destijds voelde het voor hem alsof hij simpelweg geen tijd meer had om fouten te maken.