‘Is dat je oma?’ De vraag van het vriendinnetje dat bij me komt spelen, slaat keihard in m’n gezicht. Heeft ze het nou over mijn moeder? Mijn mooie moeder, ergens in de veertig en voor mij een toonbeeld van schoonheid en elegantie. Ja, ze is grijs, maar haar lange haren zijn altijd kunstig opgestoken en lijken in niets op de grijze oma-permanentjes die in die tijd tot de standaarduitrusting van elke senior behoorden. Is dat je oma?! Tssss! Toch blijft de vraag uit mijn kindertijd de rest van mijn leven een beetje in m’n hoofd hangen. M’n moeder was inderdaad jong grijs geworden. Haar zwarte lokken ken ik alleen van foto’s. Zelf ben ik een stuk minder donker dan zij was, en het duurt dan ook wat langer voordat de eerste grijze sprietjes zich aandienen. Ik ben een jonge dertiger als ik ze ontdek in het meedogenloze licht van de spiegel bij de wc’s op mijn werk. Nee, ze kunnen me niet ontgaan, maar ik kan ze wel uittrekken. Die paar haartjes, niemand zal ze missen. Zo houd ik het jarenlang vol. Uittrekken wat me niet bevalt, schouders ophalen en weer door.
De kapperskosten lopen op
Tot er op een gegeven moment niet meer tegenop te plukken valt. Wil ik nog wat haren op m’n hoofd overhouden, dan zal ik iets moeten verzinnen. Verven?! Nooit gedaan. Ik was dik tevreden met m’n bruine haren, en heb me nooit laten verleiden tot kleurexperimenten. De kapper weet wel raad met het kleurverschil en zo kan ik – de klok even stilgezet – gewoon weer bruingelokt door het leven. Eens in de paar maanden een kleurbehandeling en er verder niet over nadenken. M’n grijze pieken zijn uit het oog uit het hart. Maar de tijd verstrijkt, en de ‘kleur van de ouderdom’ laat zich niet langer wegpoetsen. De tijd tussen twee verfbeurten wordt korter, de kosten bij de kapper lopen op en het geknoei met thuisverven begint. Eens in de paar weken een zogenaamde ‘uitgroeibehandeling’ om de tijd tussen twee kappersbezoekjes te overbruggen. De hardnekkige vlekken van de chemische goedjes zijn nu nog te zien op de vloer. Natuurlijk, het helpt wel, de uitgroei is even onder de duim, maar uiteindelijk wint het grijs. Ik begin me een vijand van m’n eigen haar te voelen. Een beetje het gevoel dat ik heb als ik het onkruid in de tuin te lijf ga. Eventjes tevreden, maar ik weet precies wie de winnaar gaat zijn van deze territoriumstrijd. En ik ben het niet.
Strijd tegen de tijd
Het zijn allemaal lapmiddeltjes; de uitgroeibehandelingen, het busje met verf dat ik even snel op de haarwortels kan spuiten en uitborstelen (en dat bij de eerste de beste regenbui uitgelopen verfsporen op mijn gezicht en kleding oplevert) en het experimenteren met highlights om de ongekleurde uitlopers te camoufleren. De grijze lokken zijn niet meer uit het oog en hart. Ze eisen steeds meer aandacht en tijd op. Wat is er gaande onder mijn geverfde haren? De armoedig ogende landingsbaan op mijn hoofd dringt zich steeds sneller op en valt niet meer te ontkennen. Nog één wanhoopsoffensief dan? ‘Kapper kun je alsjeblieft iets bedenken, zodat ik hier niet weer over drie weken zit en er in de tussentijd uitzie als een landloper?’ En daar gaat ze. De ene na de andere highlight wikkelt ze op mijn hoofd. Tot ik met een kop vol folies zit, en er echt geen lokje meer bij kan. Na de ‘onthulling’ reken ik razendsnel af, kijk amper meer in de spiegel en probeer de geelblonde mat op mijn hoofd te vergeten.
Tot ik op mijn werk kom en de receptioniste geschokt haar hand voor haar mond slaat. ‘Wat is er met jóú gebeurd?!’, roept ze uit. Ik moet terug vindt ze. Maar ik wil niet terug. Ik vind het sowieso al lastig om de confrontatie met de kapper aan te gaan, maar ik ben het ook beu. Gewoon doodmoe van deze langdurige strijd tegen de tijd. Het moet afgelopen zijn, ik wil rust aan m’n kop. Letterlijk. Erger dan de mislukte highlights-look kan het niet worden, dus ik laat de natuur haar gang gaan. De landingsbaan doemt op en wint terrein, maar valt ook steeds meer weg in de geblondeerde haren die inmid – dels iets minder heftig zijn. De black box die schuilging onder mijn geverfde coupe bleek een grey box te zijn. Alle bruine haren hadden plaatsgemaakt voor grijze. Het duurt uiteindelijk toch een dikke twee jaar voordat de laatste gekleurde punten weggeknipt worden. Een proces dat niet onopgemerkt blijft. Ik denk dat ik nog nooit zo vaak op m’n haarkleur ben aangesproken als de laatste jaren. Dapper, stoer, gedurfd… De compli – mentjes vliegen in het rond, maar verwijzen allemaal naar de onuitgesproken gedachte dat het eigenlijk een stap is die je liever niet zet. Net zoals we mijnwerkers dapper vinden, maar zelf toch ook bij voorkeur niet afdalen in een duistere grot met diepe ravijnen.
Nieuwe uitdagingen
M’n nieuwe haarkleur stelt me voor nieuwe uitdagingen. Zo heb ik mijn garderobe deels moeten aanpassen nadat bleek dat de kleuren die altijd goed hadden gestaan ineens níéts meer voor me deden. De felle tinten waar ik eerst met een boog omheen liep, zijn mijn nieuwe favorieten. En omdat m’n gezicht langzaam leek te gaan meedoen met de kleurloosheid van m’n haar, kreeg ook mijn make-up een update. Een paar veegjes permanente make-up op de ogen en de lippen geven me weer net een sprankje meer aanwezigheid. Verder hebben de stugge, grijze haren een andere behandeling nodig dan ik gewend ben. Ik ben meer tijd kwijt aan verzorging en haarmaskers dan ooit. Maar ach, tijd (en geld) bespaar ik door het niet langer te spenderen aan kleur- en kappersbehandelingen. Al zou ik best een kapitaaltje over hebben voor een goede kapsalon, gespecialiseerd in grijze haren.
Als ik het kon, zou ik er zelf een beginnen ‒ en helemaal binnenlopen, want ik ben niet de enige die worstelt met de eigenaardigheden van haar nieuwe stugge, eigenwijze haar. De vragen (en adviezen) vliegen je om de oren op de socials waar mijn soortgenoten zich verzamelen. In groepen en met hashtags als gorgeous grey, grijs en geweldig, en greynaissance gaat het niet alleen over de juiste producten, maar ook over kracht, kwetsbaarheid en zelfacceptatie. Want ja, het is best ‘een dingetje’ om over te stappen naar ‘the other side’. Geef je je over aan de ouderdom, ben je niet langer hot (of zelfs maar een beetje lauw), en word je onzichtbaar? Sommige strijdbare ‘silver sisters’ zien hun grijze haren als een ‘kroon van wijsheid’ of ‘veren van vrijheid’. Zo ver zal ik niet gaan, al is het in zekere zin wel bevrijdend om verlost te zijn van die opruk – kende grijze streep. En toen mijn fysiotherapeute me vroeg ‘vindt je man het niet erg?’ voelde ik toch een soort heilig vuur ontbranden om op de barricades te kruipen voor een grijze revolutie. Maar vooralsnog moet ik zelf ook nog wennen. In m’n hoofd ben ik nog altijd die brunette, maar de spiegel toont iets heel anders. Daar zie ik m’n moeder terug. ‘Is dat je oma?’, echoot er in mijn hoofd. Vragend kijk ik naar m’n negentienjarige dochter, die geen voorstander was van mijn ‘transitie’. ‘Wat denk je?’ vraag ik. ‘Je bent een queen. En m’n vrienden vinden je slay’, antwoordt ze. Ik haal opgelucht adem, ‘niet gray, maar slay’. Oma worden, kan altíjd nog.