
China kan het technologische gat met de Verenigde Staten in kunstmatige intelligentie kleiner maken, maar wordt nog altijd afgeremd door een groot probleem: toegang tot geavanceerde chiptechnologie.
Dat erkennen toonaangevende Chinese AI-onderzoekers, waaronder Yao Shunyu, voormalig senioronderzoeker bij ChatGPT-maker OpenAI, die opvallend optimistisch zijn over de middellange termijn.
Waar China op achterloopt
Volgens verschillende onderzoekers is het niet ondenkbaar dat binnen drie tot vijf jaar een Chinees bedrijf wereldwijd de toon zet in AI. China beschikt over een voordeel op het gebied van elektriciteit en fysieke infrastructuur, maar loopt vast op het maken van eigen chips.
Daar komt bij dat de Verenigde Staten voorlopig een duidelijke voorsprong houden in rekenkracht. Amerikaanse bedrijven hebben simpelweg veel meer geïnvesteerd in datacenters en computercapaciteit. In China gaat een groot deel van de beschikbare infrastructuur op aan het draaiende houden van bestaande modellen.
Creativiteit en toekomstige chips?
Die schaarste dwingt echter ook tot creativiteit. Chinese AI-bedrijven experimenteren intensief met het gezamenlijk ontwerpen van algoritmes en hardware, zodat grote modellen kunnen draaien op kleinere en goedkopere chips.
Tegelijkertijd heeft China een werkend prototype voltooid van een extreme-ultraviolet-lithografiemachine die in theorie chips kan maken op het niveau van westerse halfgeleiders. In de praktijk heeft de machine echter nog geen functionerende chips opgeleverd en is het onzeker of dat voorr 2030 zal lukken, volgens ingewijden.
Alles bij elkaar loopt de Chinese AI-sector nog duidelijk achter op cruciale punten, maar het wordt tegelijk wendbaarder en ambitieuzer. De vraag is daarom volgens de onderzoekers niet zozeer of China het gat kan verkleinen, maar of het dat snel genoeg kan doen voordat de Amerikaanse voorsprong definitief wordt.